Geen talent? Gewoon blijven oefenen.
Talent? Met de juiste oefening en een vleugje geluk kan iedereen uitblinken.
Die mooie roman schrijven of dat succesvolle bedrijf leiden:
het hoeft geen illusie te zijn.
Eind jaren zeventig keek de 35-jarige Richard Williams in een achterbuurt van Los Angeles op televisie naar de finale van Roland Garros.
De winnares van het tennistoernooi ontving een cheque van meer dan 20 duizend dollar. Dat is snel verdiend, dacht Williams, vader van drie dochters.
Hij stelde zijn vrouw voor nog twee kinderen te krijgen.
Van hen zou hij toptennissers maken.
Twintig jaar later domineerden de zusjes Venus en Serena het internationale vrouwencircuit.
Een moeder die op bestelling twee tennistalenten baart. Dat is wel heel toevallig. Of is er een andere verklaring?
Hoeveel talent heb je nodig om uit te blinken en bestaat er wel zoiets als talent? Wetenschappers buigen zich al decennia over deze vraagstukken.
Een eenduidig antwoord is niet te geven, maar één tendens is in elk geval opvallend:
het belang van talent – als het al bestaat – wordt rijkelijk overschat.
Waarom hebben sommige mensen dan succes? De Canadese journalist en historicus Malcolm Galdwell wijdde er een boek aan, Outliers. ‘We denken vaak dat succes een individuele verdienste is. Dat het de uitkomst is van een geweldig hoog IQ, de juiste persoonlijkheid en een doelgerichte levensstijl. Maar hoe belangrijk zijn achtergrond, omgeving en de periode waarin iemand opgroeit?’
Op basis van psychologische en sociologische studies presenteert de schrijver uitblinker na uitblinker. Van Bill Gates tot The Beatles en van kansarme jongeren in de Bronx op een superschool tot Canadese ijshockeyers geboren in januari. Afkomst, stimulans, mentorschap, het juiste materiaal binnen handbereik en een flinke dosis geluk blijken minstens zo belangrijk.
De ouders van Bill Gates konden hun 12-jarige zoon naar een privéschool sturen. Die school kocht in 1968 een van ’s werelds eerste computerprototypes voor een zomercursus. De jonge Gates was er niet bij weg te slaan. Zo kan beginnersgeluk in combinatie met interesse resulteren in uitblinken, wil Gladwell maar zeggen. Zonder de kans om eindeloos te oefenen op die computer was die puistige puber uit Seattle mogelijk niet geëindigd als oprichter van Microsoft.
Hoogleraar psychologie Remy Rikers van de Erasmus Universiteit Rotterdam gaat nog een stapje verder. Talent bestaat niet, stelt hij onomwonden vast. ‘Het talentdenken in onze maatschappij is heel dominant’, zegt Rikers. ‘Als je het niet hebt, vergeet het dan maar.’
Zo blijft veel potentieel onbenut, vindt hij. Terwijl iedereen goed in iets kan worden. ‘Als je al heel jong te horen krijgt dat rekenen of Engels je niet zo ligt, dan heeft dat grote impact.’ Omgekeerd: als je juist gestimuleerd wordt in iets, kun je beter worden. Rikers is daarom een wetenschapper met een missie. Hij wil aantonen dat de rol van aanleg of talent minimaal is. ‘Oefening, daar gaat het om.’
Tot halverwege de vorige eeuw werd verondersteld dat briljante schakers zich onderscheidden door een superieur geheugen. In een onderzoek kregen grootmeesters kort een stelling op het bord te zien. Deze moesten ze vervolgens foutloos terugzetten. Zij konden dit perfect, in tegenstelling tot amateurs. Maar bij een schaakbord met willekeurig geplaatste stukken scoorden grootmeesters en amateurs even slecht. Waar grootmeesters dus goed in zijn, is het herkennen van patronen. Ze bleken in hun leven veel meer geschaakt te hebben dan amateurs. Ze hadden, simpel gezegd, meer geoefend.
Hoe meer viool je speelt, hoe beter je dat doet, ontdekte de psycholoog K. Anders Ericsson. Het klinkt misschien als een open deur, maar dat is het niet. Want met meer, bedoelde Ericsson niet een klein beetje meer. Hij stelde vast dat de beste violisten vanaf het moment dat ze waren begonnen met spelen gemiddeld tienduizend uur hadden geïnvesteerd in hun training. De wat mindere zo’n achtduizend uur en de minst goede vijfduizend uur.
Sindsdien spreken cognitiewetenschappers van de ‘tien-jaarregel’, want zoveel tijd kost het ongeveer om tienduizend uur te oefenen op een willekeurig vakgebied.
Gladwell refereert in zijn boek ook aan deze wetmatigheid. Zo speelden The Beatles voordat hun carrière van de grond was gekomen als tienerbandje maandenlang in een nachtclub in Hamburg, soms wel acht uur achtereen. Zij kwamen makkelijk aan hun tienduizend uren. En Gates kreeg als tiener de kans eindeloos te programmeren. Hierdoor had hij op z’n twintigste al ruimschoots tienduizend uur geoefend.
Bovendien werd Gates op het juiste moment geboren, in 1955. Ook belangrijk, stelt Gladwell. Kijk maar naar een paar andere computericonen. Steve Ballmer van Microsoft bijvoorbeeld: geboren in 1956. En Steve Jobs van Apple? In 1955. Omstreeks de opkomst van de pc waren deze drie mannen net twintig, de ideale leeftijd om hun programmeervoorsprong optimaal te benutten, aldus Gladwell.
Is het nooit te laat om door te breken? Dat gaat te ver, zegt Rikers. ‘Op je 25ste nog topvoetballer worden, is fysiek onmogelijk, dan haal je die uren nooit meer in. Maar op het gebied van minder lichamelijke vaardigheden is theoretisch niets uitgesloten.’
Die mooie roman schrijven of dat succesvolle miljoenenbedrijf beginnen: het hoeft geen illusie te zijn. Maar besef wel dat het niet gaat om ‘zomaar een beetje oefenen’. Rikers: ‘Het gaat niet alleen om uren maken, maar ook om hoe je traint.’ Je moet de lat steeds hoger leggen. Doorgaan waar anderen afhaken.
En het is ook niet zo dat iedereen een Mozart of Gary Kasparov kan worden, zegt Rikers. Maar iedereen kan wel behoorlijk goed leren schaken of componeren. Als je maar blijft trainen.
Uitblinken wordt vaak met jeugdigheid geassocieerd. Dat merkt ook Gladwell in zijn boek op. Maar bedoeld of onbedoeld biedt zijn boek hoop aan alle uitblinkers in de dop die nog aan hun meesterwerk moeten beginnen. Want het is nooit te laat om door te breken.
Oké, Picasso was op z’n 20ste al een gelauwerd schilder. Maar Alfred Hitchcock maakte vrijwel al zijn films tussen zijn 44ste en 61ste. En de Franse schilder Cézanne, wiens schilderijen nu zomaar 60 miljoen dollar kunnen opbrengen? Niemand had ooit van hem gehoord tot hij 45 was.
Door Ianthe Sahadat, Volkskrant 20 januari '09.
|